Ik schrijf dit stuk net na de carnaval 2019, net na de strijkwedstrijd en vlak voordat de intro aanvangt en het voorjaarsseizoen losbarst. Ook kort na de hoogtepunten van een penningmeester in het jaar: de ALV’s waar de begroting van het voorliggende jaar (2019 in november 2018) en de bespreking van de jaarcijfers 2018 (feb 2019). Een mooi moment om terug te blikken op het prille en al mooie jaar, maar ook een mooi moment om vooruit te kijken.
Regelmatig denk ik de afgelopen jaren: wat hebben we toch een mooie vereniging. Drie roeiwateren (Aa, Dommel en Dieze), een vloot om je vingers bij af te likken, enthousiaste leden die zomaar nieuwe activiteiten oppakken zoals de strijkwedstrijd vlak voor de carnaval, een prachtlocatie, een geweldige stad met bijbehorende festiviteiten en natuurlijk een prettige sport voor lijf en leden. Die ruimte heb ik, omdat ik rustig over de vereniging kan nadenken. Niet dat ik doorgaans niets te doen heb, integendeel, maar omdat ik op zaterdagmiddag roei, kom ik weinig mensen tegen. Als ik met de vereniging bezig ben, kijk ik vooral naar de cijfers zonder dat ik met de verschillende commissies in de weer ben, ook dan doe ik dat niet met heel veel mensen.

Toch is er een wens die ik heb en dat betreft de opbouw van het zeer rijk gevulde ledenbestand. Ik zou graag meer jeugd/scholieren, studenten en twintigers op de vereniging zien rondlopen. Hoewel we afgelopen jaren sterk gegroeid zijn, betrof die vooral de oudere jongeren, waar ik mezelf inmiddels ook toe reken. Het gezonde imago van roeien trekt mensen en dat merken we als vereniging goed. Onze jeugdroeiers en twintigers voegen een andere dynamiek aan de vereniging toe, die de gezelligheid en bijvoorbeeld het enthousiasme voor wedstrijdjes en feesten op de vereniging zeker ten goede komt.
Dat vraagt wel wat van onze vereniging. Scholieren mogen niet zonder begeleiding het water op, dat vraagt dus relatief veel begeleiding, waar vrijwilligers voor nodig zijn. Studenten creëren uiteindelijk een eigen dynamiek en kunnen selfsupporting zijn, maar moeten in aanvang wel geholpen worden om op te starten. De twintigers zijn vaak nieuwe mensen in de stad die hun draai nog moeten vinden, maar waar de vereniging wel een handje bij kan helpen.
Dat komt ook voort uit mijn eigen ervaring. Toen ik in 2001 als lidnummer 141 binnen de vereniging kwam, was ik ook een twintiger. De vereniging was zelf nog jong. Ze was erg waardevol voor mij, mede omdat ik toen net in ’s-Hertogenbosch kwam wonen. Dat roei- en sociale genoegen gun ik ook andere mensen.
Wilbert Hilkens