Ik heb me ook dit jaar opgegeven om de nieuwe midweek-lichting te coachen. Met elkaar, hard lerend naar het R1-examen. Laat ik het niet hebben over het overbrengen van de technieken en de oefeningen. Laat ik het hebben over de omstandigheden, waaronder ik afgelopen periode de nieuwe midwekers coachte …
Er zijn heel wat mensen die interesse tonen in wat er op het water gebeurt of eventjes droog terug groeten. Soms schrikken ze van mijn rustige verzoek: “Mag ik er even langs?”. Ze zijn in gedachten … Een grapje is snel gemaakt en komt de sfeer meestal ten goede. Toch maak ik tijdens dit vrijwilligerswerk heel wat gebeurtenisjes, incidentjes en toestandjes mee, waarvan ik me niet kan voorstellen dat ik de enige ben. Wat anekdotes samengevat in één coach-tochtje …
Positieve verrassing
Vanachter de middeleeuwse muren ben ik druk doende om de nieuwe midwekers, die daar beneden drijven, aan te moedigen mijn woorden om zetten naar hun daden. Een jongen van een jaar of veertien, fiets tussen de benen, staart mij aan. Als ik klaar ben verrast hij mij: “U ben wel een hele goeie coach hoor …” Ik lach, dank hem hartelijk en we fietsen allebei weer ons weegs. Ik bedenk me dat erkenning zomaar ineens naast je op straat kan staan. Zo schattig.
Crime passionnel
Mijn ploegje ploetert voort en even verderop lopen twee van die hufterhonden, met lange lijnen verbonden aan een scharminkelige eigenaar. Ik fiets verder langs de muur, mijn blik afwisselend het water in gericht en voor mij, als één van de beesten – hij moet er een aanloopje voor nemen – ineens in mijn enkel bijt. Er vloeit wat bloed en er zit een gat in mijn sok. Verbaasd roep ik ”Hé, hij bijt!”. De eigenaar trekt de lijn aan en roept iets berispends naar – ik geloof – de hond. Gelukkig had ik de tetanusprik van vorig jaar nog … Ja, de locals leggen graag contact met me.
Laverend coachen
Dan het stukje van het traject waar “niet gecoached mag worden”. Dat wil zeggen: er zijn afspraken gemaakt. Daar probeer ik me aan te houden. De straat is volgestouwd met plantenbakken, tuinstoelen, tafels, een rond zwembad en andere goederen die vast onder het precariorecht vallen. Het is een apart buurtje waar ik altijd rustig doorheen fiets en iedereen begroet die ik tegenkom. Hier krijg ik over het algemeen weinig reacties terug, tot er iets te bestraffen valt. Fietsend langs het smalle pad aan het water, wordt me ineens toegeroepen: “Hé! Dat ìs geen fietspad!!”. Ik kijk verbaasd op naar de tafels en stoelen die drie parkeerplaatsen innemen. Het pad is leeg, geen kip of kraai te bekennen, maar hier liggen gevoeligheden en die zullen ze laten weten ook. De angel in eigen beheer houdend reageer ik met een opgewekt “Sorry”. Ik heb altijd het gevoel dat daar een soort xenofobisch vrijstaatje wordt gedoogd. Via het gras rijd ik de weg op. Op de terugweg groet ik ze vriendelijk. Geen woord terug. De liefde moet van één kant komen.
Oprechte waardering
Weer langs de muur fietsend rent er ineens, hijgend en kwijlend een lijpe bulldog achter me aan, met achter een strak gespannen lijn een meisje die het wilde beest niet kan in bedwang kan houden. “Hij wil met u mee rennen …” hijg-hijg-hijgt ze.
Elke keer als ik stop lebbert het dier mijn onderbeen af van enkel tot knie. Ik vraag me af of het komt door de zonnebrandcrème of ziet-ie meer in me …? Ik stop drie keer en word drie keer afgeslobberd. Nou ja, liever lebberen en slobberen dan bijten denk ik maar.
Vogelvrij
Op het laatste stukje naar het clubgebouw ligt op het voetpad – ja, ik zit voortdurend fout – een vijftiental ganzen op het warme asfalt. Ook zo’n vrijstaatje … Ik ben niet bang van ze, heb op het water een goede relatie met ze opgebouwd en stel ze daar vanuit mijn bootje altijd gerust met een paar zachte woorden, waarna ze rustig wegtrappelen. Nu moet ik er doorheen. Ze zien me al aankomen en ik zie dat ze een plan maken. Ik ben niet voor een kleintje vervaart en rijd heel rustig en langzaam op ze af. Gemor bij het overeind komen van die witte wolk, terwijl ik mij onvervaart tussen hen door beweeg, bezwerende woorden sprekend. Tergend langzaam wijken ze van hun plekjes en zonder te blazen, happen of slaan (van de ganzen!) kom ik heelhuids aan bij het clubgebouw.
Op het vlot ontvang ik de ploeg newbees en trap ik vervolgens in de verse ganzenpoep. Ik hoor die vette kluiven achter me giechelen. En toch zal ik ze elke keer weer blijven groeten. Immers, aan een relatie moet je blijven bouwen …
Onderweg naar huis ben ik het zat: ik rijd door alle rode stoplichten, steek schuin de weg over, fiets over het voetpad, rijd tegen de richting van het verkeer in, steek mijn arm niet uit en groet helemaal niemand!
Michiel H. Koops