Tegen de stroom oproeien

Veel zegswijzen en uitdrukkingen in onze taal hebben een maritieme oorsprong. Zo gaan we regelmatig met iemand in zee en hopen we dat een ander de boot niet afhoudt. We proberen zo min mogelijk in elkaars vaarwater terecht te komen om mogelijke aanvaringen te voorkomen. Bij eventuele problemen trachten we schoon schip te maken voordat het de spuigaten uitloopt. We zitten immers met zijn allen in hetzelfde schuitje en moeten roeien met de riemen die we hebben. Maar we kunnen altijd nog over een andere boeg gooien.

Naast Je moet roeien met de riemen die je hebt zijn er nog een aantal gezegdes die specifiek met roeien te maken hebben, waaronder deze: Hij roeit de ene kant op en ziet de andere kant uit. Voor ons als roeiers eigenlijk vrij logisch, toch? Maar het wordt gebruikt om te zeggen: hij handelt anders dan je zou verwachten.

Als ik even de geschiedenisboeken induik, kom ik het volgende tegen in ‘De oorsprong en uitlegging van dagelyks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden, opgeheldert tot grondig verstand der vaderlandsche moedertaal. Deel I’ uit 1726 door Carolus Tuinman:

Die eerst in de boot is, heeft keur van riemen.
De voorbaat heeft voorrecht. Dat komt overeen met, die eerst komt, die eerst maalt.

Hy moet tegen wind en stroom oproeyen.
Dit past men op ymand, die veel tegenloop en wederstand heeft, zo dat hy zeer moet arbeiden, om die te boven te komen.

Onder ’t staande zeil is ’t goed roeyen.
’t Roeyen kost weinig moeite, en ’t schip gaat wel voort, wanneer de voorwind in ’t zeil blaast. Dit word toegepast op iets dat licht valt, wanneer men sterk geholpen word door ymand, of iets anders.

Onder een staand zeiltje is het goed roeien wordt tegenwoordig uitgelegd als: met een klein vast inkomen verdient men al gauw genoeg voor de kost. En Tegen de stroom oproeien gebruik je nu voor: tegen de gangbare mening in gaan. Dit laatste gezegde zou zijn oorsprong kunnen hebben in een tekst van Jacob Cats uit 1655:

De siel is als een boot, die met ons gantsch vermogen
Wort tegen stroom geroeyt en krachtigh opgetogen
Gewis, soo ons de riem maer eenmael stil staet
’t Is seker dat de schuut in haest te rugge gaet.
De stroom die rucktse wegh, en drijftse na beneden,

En d’oorsaeck is de rust, en al te stille leden.
Ach! hoe is ’t dat men sweet, en dat de roeyer hijght,
Eer hy met stagen vlijt sijn hooghte weder krijght?

Wat kon Cats het toch mooi verwoorden.

Weet jij nog een gezegde die over roeien gaat? Laat het ons weten!

Janneke Verrips

Deel deze informatie via jouw account met onderstaande knoppen...
Scroll naar boven