Uit de recensie in de Volkskrant
“De met nogal wat bombarie aangekondigde filosofische jeugdroman Kroonsz van Marco Kunst (1966) is in de eerste plaats een meeslepend griezelverhaal met als decor ideëen over tijd en ruimte, lichaam en ziel. Denkbeelden die ons terugbrengen naar de vooravond van de Verlichting, de tijd van Descartes en Spinoza. Een tijd waarin wetenschap en alchemie nog geen streng afgegrensde gebieden zijn. Je kunt werken met vernuftige machines en tegelijkertijd bang zijn voor hel en verdoemenis. Een anatomische zoektocht naar de plek waar de ziel aan het lichaam is verbonden is in die Gouden Eeuw helemaal niet gek”.
Het verhaal
De zeventiende-eeuwse arts Zacharias Kroonsz ontwikkelt een machinerie, met slingers en lenzen, waarmee hij er in slaagt de levenslijnen van mensen te onderscheiden. Tot op het uur nauwkeurig slaagt hij erin te voorspellen wanneer mensen zullen komen te overlijden.
Wanneer hij tot zijn schrik met de ingenieuze opstelling ziet dat zijn eigen einde nabij is, weet hij zijn lot te ontlopen door de dienstmeid om het leven te brengen.
Zijn zoon Wessel, die hem tot dan toe geholpen heeft, was verliefd op het meisje en volgt haar, het zwarte gat in de tijd in, waardoor zij is verdwenen.
Drie eeuwen later treffen we hem, bleek en een tikje angstaanjagend terug aan, bij het hek van een schoolplein. Het blijkt dat hij, om zijn vader en zichzelf in leven te houden telkens verse levenslijnen van jonge mensen moet vergaren. Het leven is echter voor beiden onderhand geen pretje meer. Vader Zacharias vreest voor zijn hoogmoed in de hel te belanden en leeft eigenlijk alleen nog maar voort om deze angstige werkelijkheid te ontlopen.
Wessel is eenzaam en ongelukkig. Wanneer hij een aantrekkelijke, twintigste-eeuwse pubermeid ziet lopen, denkt hij terug aan zijn verliefdheid op het dienstmeisje en broedt op een plan om te ontsnappen aan de nare machinaties van zijn vader.
Wat heeft dit alles nu in onze Bossche Dol te zoeken?
Weer enigszins uit zijn ongelukkige, zombie-achtige staat gekomen, bij de aanblik van het meisje op het schoolplein, zoekt Wessel een moment van rust en bezinning aan de oever van de Amstel.
En daar ziet hij roeiers voorbijkomen. De indruk die de jongen dan opdoet vormt een sleutel tot het filosofisch verhaal in deze roman. De beschrijving is dermate poëtisch dat de recensent in de Volkskrant spreekt van een moment waarop de onzichtbare samenhang in Gods schepping hem opeens geopenbaard wordt.
Fragment over roeien
“Wessel keek uit over het water en luisterde en voelde, tot de wind en het water hem tot rust hadden gebracht, en getroost, zoals ooit vroeger, die dag dat hij om zijn moeders dood had gehuild, de dag dat hij uit Den Haag was teruggekeerd met de lenzen en het geschrift van Spinoza. Zijn leven was zo anders geweest dan dat van wie dan ook, en zo anders dan hij het zich had voorgesteld toen hij klein was.
Vanuit de stad kwamen roeiers zijn kant uit. Drie ranke boten, elk met vier roeiers en een stuurman aan boord. Bewonderend en verlangend keek Wessel toe. De kracht die van de roeiers uitging… Het zag er zo eenvoudig uit, de soepele, ritmische bewegingen, de roeiers in volmaakte harmonie met elkaar en met de rivier, het water, het riet en het lage zonlicht dat alles bescheen. De eerste boot was nu recht voor hem.
Hij zag de levenslijnen van de roeiers, ze bewogen in hetzelfde ritme als die soepele lijven, het was haast of de mannen zich met behulp van hun levenslijnen door het water voorttrokken, alsof al die lange lijnen verweven en verbonden waren met het water en de lucht – en even was het of hij meer lijnen zag, een raster, alsof de roeiers met tientallen, nee, hónderden lijnen met de wereld om hen heen verbonden waren, alsof hij ook hun gevoelens en gedachten als ijl spinsel kon zien, het genot van hun inspanning in de vroege ochtend, hun onderlinge vriendschap en rivaliteit en de duizenden herinneringen die hen verbonden met het landschap en zelfs met Wessel. Even was het zelfs of ze zo het landschap schiepen, het optilden uit het niets en het betekenis gaven; alsof hij eindelijk het volledige weefsel van de werkelijkheid kon waarnemen, in al haar schoonheid en wonderbaarlijkheid.”
Een waarlijke ode aan de schoonheid van roeien! Laten we het er maar ophouden dat schrijver Marco Kunst, moe van het nadenken en schrijven aan dit boek, op een mooie namiddag langs de rivier liep en zelf geraakt werd door de aanblik van een passerende roeiploeg. Mooi.
Greet Kuipers